Lees en vorm uw oordeel

673264_hammer_to_fallIk beloof u, het is een zeer langdradig artikel. Maar lees zelf de brief die het SMN ( Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders) aan de regering stuurde. 1e les marketing, leer eerst de eigenschappen van de ander kennen. Veel plezier.

 

Aan: Commissie Wonen, Wijken

en Integratie

 

Datum:

Kenmerk:

Betreft:

 

Geachte leden van de Commissie WWI,

Hierbij ontvangt u ten behoeve van uw Algemeen Overleg van as. woensdag 15 april de reactie van het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders, SMN, op de brief ‘Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren. Grenzen stellen en Perspectief bieden’ (Kamerstuk 31268-13, d.d. 300109). Wij verzoeken u vriendelijk deze reactie van het SMN bij uw inbreng te betrekken.

Graag willen wij vooraf opmerken dat het SMN met minister Van der Laan over het concept van deze beleidsbrief op 14 januari jl. in het kader van het LOM bilateraal overleg heeft gevoerd. Onderstaande reactie is een uitwerking van het commentaar dat het SMN in dit overleg op het concept-beleidsbrief heeft gegeven.

Het SMN deelt de zorgen van het kabinet over de oververtegenwoordiging van Marokkaans-Nederlandse jongeren in overlast, criminaliteit, schooluitval en werkloosheid. Het gaat inderdaad om een complexe en hardnekkige problematiek die om een effectieve aanpak vraagt. Het SMN is dan ook blij dat het kabinet hierop specifiek wil inzetten. Het SMN is het met het kabinet eens dat er sprake moet zijn van een evenwicht tussen ‘perspectief bieden’ en ‘grenzen stellen’. Voor de langere termijn zullen we het vooral moeten hebben van het voorkomen van problemen door perspectief te bieden.

Het SMN steunt in grote lijnen de aanpak die het kabinet voorstelt. Het SMN verwacht vooral veel van de ondersteuning van de lokale aanpak en van de inzet van gezinsmanagers en straatcoaches.

Het SMN betreurt echter wel dat er te weinig sprake is van een goede balans tussen ‘perspectief bieden’ en ‘grenzen stellen’. Ook mist het SMN een duidelijke relatie met het integratiebeleid en het bredere jeugdbeleid van het kabinet. Daar wordt in de beleidsbrief opvallend weinig aan gerefereerd.

De beleidsbrief zoomt sterk in op het terugdringen van overlast, criminaliteit en recidive en op het vergroten van openbare orde en veiligheid en veel minder op het daadwerkelijk verbeteren van het toekomstperspectief van de jongeren. Het SMN vreest dat repressieve maatregelen gericht op het stellen van grenzen – in de beleidsbrief opgenomen onder de titel vergroten effectiviteit justiële trajecten en inzet bevoegdheden door gemeenten – in de uitvoeringspraktijk de overhand zullen krijgen. Een dergelijke aanpak zal, zeker op langere termijn, niet effectief blijken en zelfs averechts kunnen werken. Zoals het RMO stelt in haar advies ‘Tussen flaneren en schofferen (RMO, april 2008): “Het voedt angst en intolerantie van omwonenden – niet alleen voor overlastgevende maar voor alle jeugd – en het vervreemdt jongeren van de samenleving. Repressieve maatregelen zijn duur en ook de maatschappelijke kosten ervan zijn hoog.”

Het SMN vindt de focus op Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren ook te beperkt. Het beleid zou zich vanuit integratieperspectief in brede zin op Marokkaans-Nederlandse risicojongeren moeten richten en niet alleen op probleemjongeren. Ook de problematiek van Marokkaans-Nederlandse meiden verdient meer aandacht.

Het SMN vraagt zich ook af welk gedrag van Marokkaans-Nederlandse jongeren eigenlijk niet te tolereren is. Gaat het om ‘schofferen’ en criminaliteit of is ook ‘flaneren’ al een probleem (zie RMO-advies ‘Tussen flaneren en schofferen’)? Het SMN waarschuwt ervoor hierin niet door te slaan. ‘Hangen’ hoort bij jeugd, de straat is er ook voor de jeugd. Het gedrag van jongeren in de publieke ruimte zal altijd spanningen oproepen met omwonenden en irritatie opwekken bij ouderen, maar dat is in zekere zin een ‘normaal’ verschijnsel. In navolging van de RMO pleit het SMN daarom voor een constructieve aanpak waarin flanerende jongeren niet over een kam worden geschoren met schofferende en criminele jongeren. In de beleidsbrief wordt bijvoorbeeld ‘de straatcultuur’ als eenzijdig negatief bestempelt. Er wordt daarin geen onderscheid gemaakt tussen acceptabel en niet-acceptabel gedrag.

Het SMN is het ermee eens dat een integrale aanpak nodig is om de problematiek goed aan te pakken en dat de bredere context daarbij betrokken moet worden. Dit gebeurt echter slechts in beperkte mate.

In de beleidsbrief ligt de focus te eenzijdig op het gedrag van de Marokkaans-Nederlandse jongeren zelf en op het tekort schieten van hun ouders. Houding en gedrag van buurtbewoners en het bredere publiek blijven buiten beeld. Ook die spelen echter een grote rol in de problematiek (onbekendheid, vooroordelen, mijdingsgedrag, uitsluiting, discriminatie). Het SMN pleit dan ook voor het organiseren van gesprekken tussen bewoners en jongeren. Dat is lastig, maar wel kansrijk. Het RMO noemt dit “investeren in wellevendheid”.

In de beleidsbrief staat de (aanpak van) oververtegenwoordiging van Marokkaans-Nederlandse probleemjongens in overlast en criminaliteit centraal. De samenhang daarvan met oververtegenwoordiging in schooluitval en werkloosheid wordt wel genoemd, maar vertaalt zich niet in een extra specifieke beleidsinzet op deze terreinen. Het is ook opvallend dat de beleidsbrief niet is ondertekend door de ministers van Onderwijs en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Het SMN vindt dit een gemiste kans. De oververtegenwoordiging van Marokkaans-Nederlandse risicojongeren op al deze terreinen vereist dringend een specifieke aanpak.

In de beleidsbrief wordt wat betreft de versterking van de effectiviteit van onderwijs, jeugdzorg en arbeidstoeleiding verwezen naar “brede beleidstrajecten die reeds in gang zijn gezet” zoals Aanval op de Uitval, het Wetsvoorstel Investeren in Jongeren en Diversiteit in het jeugdbeleid. Deze maatregelen zijn echter niet specifiek op Marokkaans-Nederlandse risicojongeren gericht, maar generiek van aard, zoals ook het kabinet zelf aangeeft. Daarbij stelt het kabinet: “Maar omdat de problematiek bij Marokkaans-Nederlandse jongeren relatief groot is zal het effect van deze maatregelen voor deze groep ook relatief groot zijn.” (blz. 9). Het SMN vindt deze stelling veel te optimistisch. De ervaring van de afgelopen jaren leert juist dat groepen met specifieke problemen vaak het minst profiteren van algemeen beleid.

De resultaten van bijvoorbeeld Aanval op de Uitval geven tot nu toe weinig reden tot optimisme. Op 11 februari jl. berichtte het ministerie van OCW dat het aantal nieuwe schooluitvallers in het afgelopen schooljaar landelijk gemiddeld met 10% is gedaald ten opzichte van het peiljaar 2005-2006 (Kamerstuk 26695-61). Wie vervolgens de bijlage met kerncijfers over vsv-ers sinds het schooljaar 2005-2006 erop na slaat leest dat het percentage Marokkaanse vsv-ers van schooljaar 2005-2006 tot 2007-2008 is toegenomen van 6,8 naar 7,0%.

Ook het beleid om jeugdwerkloosheid tegen te gaan levert tot nu toe te weinig op voor Marokkaans-Nederlandse jongeren, gezien de grote oververtegenwoordiging van deze groep in de werkloosheidspercentages. De urgentie van een specifiek op Marokkaans-Nederlandse jongeren gerichte aanpak is ook alleen maar toegenomen door de recente economische crisis. De kans is groot dat met name laagopgeleide jongeren daardoor extra hard zullen worden getroffen met als risico dat ook zij op straat terechtkomen, met alle gevolgen van dien. Het SMN roept het kabinet dan ook op om in het in voorbereiding zijnde Actieplan Jeugdwerkloosheid op basis van evenredigheid specifiek in te zetten op maatregelen en prestatieafspraken over stageplaatsen en banen voor Marokkaans-Nederlandse jongeren.

Het SMN waardeert dat het kabinet in de beleidsbrief benadrukt veel belang te hechten aan meer en betere samenwerking met de lokale Marokkaans-Nederlandse gemeenschap bij beleidsontwikkeling en -uitvoering. Het kabinet geeft ook aan gemeenten en de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap te zullen ondersteunen bij het vormgeven van een nauwere samenwerking, onder andere door te faciliteren in het opzetten van netwerken.

Het SMN pleit ervoor dat het Rijk ook hierover prestatieafspraken met de gemeenten maakt om te voorkomen dat dit in de praktijk naar de achtergrond verdwijnt. Gezien de ervaringen met de besteding van de ‘Donner-gelden’ is monitoring van die afspraken ook geen overbodige luxe.

Het SMN benadrukt dat gemeenten zelf de voorwaarden kunnen scheppen voor een krachtige inbreng van de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap op lokaal niveau door organisatievorming en overleg te stimuleren, te ondersteunen en ook te faciliteren. Dit is des te meer van belang omdat veel Marokkaanse Nederlanders wel degelijk bereid zijn hun verantwoordelijkheid te nemen, maar vaak de middelen, vaardigheden en ondersteuning missen om dit in daadkracht om te zetten.

Het SMN zelf is ook graag bereid een bijdrage te leveren aan de ondersteuning van eigen initiatieven vanuit de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap. Hiervoor wordt op dit moment een project voorbereid dat naar wij hopen ook op steun van het kabinet kan rekenen.

Ook zou het SMN betrokken willen worden bij het overleg tussen Rijk, provincies en gemeenten over de uitvoering van de aanpak van de problemen van Marokkaans-Nederlandse jongeren.

Kortom, het SMN pleit voor een breed offensief voor Marokkaans-Nederlandse risicojongeren op het gebied van onderwijs, scholing, werk, armoede, overlast en criminaliteit. De samenhang in oververtegenwoordiging op al deze terreinen vraagt hierom. De benadering dient gestoeld te zijn op bevorderen van participatie, emancipatie en burgerschap (versterken identiteit), op het bestrijden van discriminatie en op concrete samenwerking met en ondersteuning van Marokkaans-Nederlandse organisaties, netwerken en sleutelpersonen.

Om Marokkaans-Nederlandse jongeren meer toekomstperspectief te bieden dient ieder zijn verantwoordelijkheid te nemen: onderwijs, werkgevers, maatschappelijke instellingen op gebied van welzijn, zorg en maatschappelijke dienstverlening, maatschappelijke organisaties en ook individuele burgers. Nu ligt de focus vooral op de jongeren zelf en hun ouders, en veel te weinig op de stimulerende en positieve rol die de omgeving kan spelen. Ook in die zin is wat het SMN betreft de ‘vrijblijvendheid voorbij’.

Tot slot. Ruim tien jaar geleden, in mei 1998, verscheen het advies van de Commissie Marokkaanse Jeugd met als titel ‘Samen vol vertrouwen de toekomst tegemoet. Perspectieven voor de Marokkaanse jeugd in de Nederlandse samenleving in de XXIe eeuw’. Dit advies – opgesteld vanuit het perspectief van de Marokkaanse gemeenschap zelf – kwam tot stand in reactie op een aantal incidenten met Marokkaanse jongeren in Amsterdam en gaf toen al blijk van de bereidheid van de Marokkaans gemeenschap haar verantwoordelijkheid te nemen. Dit advies bevat aanbevelingen op tal van terreinen die anno 2009 nog uiterst actueel zijn. We stellen met spijt vast dat toen de tijd blijkbaar niet rijp was om daaraan uitvoering te geven. Het SMN hoopt dat de geschiedschrijvers over 10 jaar een andere conclusie kunnen trekken over het succes van de aanpak van de problemen van Marokkaans-Nederlandse risicojongeren in 2009.

Hoogachtend,

 

 

drs. F. Azarkan, MSc

directeur SMN

 

14 april 2009Hallo bent u er nog ? U weet in ieder geval wat er van u als belastingbetaler van dit land verwacht wordt.

SMN-reactie op ‘Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren. Grenzen stellen en Perspectief bieden’ (Kamerstuk 31268-13, d.d. 300109). 5799/A


1 reactie

  1. Imhi zei:

    Zoals verwacht: geen begin van zelfinzicht. De maatschappij dat zijn wij. Wij moeten het marokkanenprobleem oplossen.

Comments are closed.